In de laatste decennia heeft een behoorlijk aantal auteurs willen duidelijk maken dat improvisatie, interpretatie en compositie verwante processen zijn, ofwel verschillende punten van een continuüm, zoals Nettl het noemt. Dit heeft vooral in theoretische zin bijgedragen tot een veranderende beeldvorming over deze kanten van het musiceren. Er is nu echter behoefte aan praktijksituaties waarin op originele en vernieuwende wijze verbanden worden gelegd die deze beeldvorming bevestigen. De combinatie van theorie en praktijk kan dan daadwerkelijk van invloed zijn op het muziekleven. Mijn artistiek onderzoek, met het "osmose"-model waarover ik regelmatig spreek, is hiervan een voorbeeld. Er worden verbanden in gelegd die een frisse kijk geven op interpretatie, improvisatie en compositie en met name door de kwaliteit van het artistieke werk (het niveau van het geschrevene zal vrees ik niet navenant zijn) een stimulerende werking kunnen hebben op bijvoorbeeld een jonge generatie van musici. Veel jonge musici willen een verandering, maar hebben geen idee hoe dit te bewerkstelligen en conformeren zich uit onmacht. Ze hebben een voorbeeld nodig dat hun aanspreekt en wegen voor hen opent. Als het onderzoek er toe kan bijdragen dat zij vrij van conventies kunnen improviseren, interpreteren en componeren, in een omgeving waarin deze aspecten van het musiceren minder gescheiden zijn dan voorheen, is het denk ik zinvol geweest.
Ik voel het als volgt, maar weet nog niet of ik het in een wetenschappelijk aanvaardbare contekst kan duidelijk maken:
aan de bron is er alleen maar sprake van muziek; improvisatie, interpretatie en compositie zijn daar zodanig met elkaar verbonden zijn, dat die woorden op zich ontoereikend zijn, omdat ze verondersteld worden begrippen te omlijnen en daardoor te scheiden. Die bron is volgens mij van spirituele aard. Nettl zinspeelt hierop als hij beschrijft hoe Pima indianen muziek beschouwen als iets bovennatuurlijks dat ontrafeld dient te worden; hij werkt dit echter niet uit. Mijn onderzoek gaat er wel dieper op in; de spirituele oorsprong ligt ergens onder de eilanden en verbindt deze met elkaar.
De werking van spiritualiteit berust naar men veronderstelt op fluïdum dat zich in de ether voortbeweegt van zender naar ontvanger. Ether is de quintessens, het overstijgt de vier elementen aarde, vuur, water en lucht. Het fluïdum gaat overal doorheen, trekt zich niets aan van afscheidingen. Men stelt het zich voor in termen als tijdloos en universeel, iets dat door menselijke conventies opgestelde grenzen op grond van bijvoorbeeld, religie, ras, geslacht en culturele achtergrond overstijgt. Zo gaat het volgens mij ook met muziek: als het fluïdum door een zender in beweging is gezet gaat het op zoek naar een ontvanger, ongeacht veronderstelde scheidingen tussen tradities, genres, stijlen of kunstmuziek en volksmuziek. Wel dient de ontvanger juist afgestemd te zijn, anders komt het fluïdum niet of slechts in beperkte mate over. Dit afstemmen stel ik mij, zoals uit het hoofdstuk over Bach blijkt, sinds kort behoorlijk plastisch voor: als een knop die moet worden omgedraaid. Als dat gebeurd is wordt de verbeeldingskracht aan het werk gezet en kunnen wonderlijke verbindingen worden gemaakt, die vervolgens met behulp van ratio en emotie gematerialiseerd worden in de vorm van muziek. Dit verklaart waarom ik mij bezig houd met ogenschijnlijk volledig uiteenlopende zaken als, bijvoorbeeld, de interpretatie van Bach en het, om het zo maar eens te zeggen, 21e- eeuwse antwoord op Zappa/Van der Graaf Generator (N. B. oppassen met deze namen, specialisten/fundamentalisten kunnen weer zeggen dat het daar niet veel mee te maken heeft).
Het bovenstaande is een veronderstelling, in feite gaat het mijn bevattingsvermogen te boven om er stellige uitspraken over te doen. Velen zijn mij in andere bewoordingen voorgegaan en op zich is het wellicht niet zo interessant. Het wordt pas boeiend als deze veronderstelling resulteert in muziek die iets teweeg brengt. In mijn geval zal de artistieke uitwerking van een zodanige kwaliteit dienen te zijn dat argumenten als "wie het in de breedte zoekt, zal de diepgang verliezen" niet aan de orde zijn. Integendeel, ik zal moeten aantonen dat het zoeken van de breedte juist de diepgang kan bevorderen. Bij voorkeur op een heel concrete manier, zoals het feit dat meer dan 35 jaar studie van Bachs triosonates de coördinatie voor het improviseren van de ene hand op een door de andere hand gespeelde groove, zoals in mijn muziek vaak voorkomt, heeft bevorderd en vice versa. In het algemeen zal het vertalen van het spirituele naar het ambachtelijke belangrijk zijn om ongewenste associaties, zoals met New Age, te voorkomen. Van de andere kant moet een al te nadrukkelijk vermijden van deze associaties de fantasie niet belemmeren; dan zouden we het kind met het badwater weggooien. Daarom probeer ik op een ambachtelijke manier, met inachtname van verbeeldingskracht, de veronderstelde werking van het fluïdum uit te werken: via oefening wordt dit omgezet in vloeiende bewegingen van het lichaam, met name de vingerkootjes, de vingers als geheel en het polsgewricht, die na verloop van tijd deel uit gaan maken van embodied knowledge, dat ik in het kort omschrijf als "at the same time knowing how and being able to do". In het afsluitende Bach-hoofdstuk streef ik er naar na om embodied knowledge van mijn eigen muziek over te hevelen naar het uitvoeren van Bach, om blokkades die daar nog aanwezig zijn zoveel mogelijk op te heffen.
Over de hoofdstukken/eilanden zelf worden mijn ideeën steeds duidelijker. Een mogelijke lineaire volgorde op basis van chronologie is:
1. The Art of Receptivity
Gerelateerd aan een eerder onderzoek genaamd The Art of Doing Nothing. Presentatie van Stillness en My friend the Indian: langzame, contemplatieve stukken voor orgel solo, gecomponeerd in 1996, later in het kader van het onderzoek uitgewerkt in versies met musici van uiteenlopende achtergronden. De stukken zijn bij uitstek geschikt om klassiek, wereldmuziek, jazz en pop op één lijn te krijgen, zodanig dat ze deze categorieën overstijgen. Het woord "Receptivity" staat in verband met het zender/ontvanger-principe, als boven omschreven.
2. Lost Sounds Rediscovered
Gebaseerd op ritmisch-melodische patronen die ik ging ontwikkelen naar aanleiding van het spelen met Afrikaanse musici tussen 1996 en 1998. In het kader van het onderzoek werden deze patronen omgevormd tot grooves die dienen als uitgangspunt voor mijn eigen improvisaties en, later, die van andere musici. Refererend aan een uitspraak van Claudio Arrau en een citaat uit een roman van Graham Greene, heeft in dit hoofdstuk de verbeeldingskracht vrij spel: hoe zou de muziek van de Guanches, de oorspronkelijke bewoners van de Canarische Eilanden, afkomstig uit Noord-Afrika en eind 15e eeuw verslagen door de Spanjaarden, kunnen klinken als haar fluïdum ons tijdsgewricht zou kruisen? Als tegenhanger voor dit extravagante idee een nauwgezette, ambachtelijke uitwerking van de merkwaardige overeenkomsten tussen mijn ritmisch-melodische patronen en Noord-Afrikaanse cycli, met inbegrip van modale tooncentra. Voor dit project ben ik op zoek naar geestverwante musici van hoog kaliber, om samen onder meer het binaire denken in termen van Eurologisch en Afrologisch op te heffen. Mike Garson heeft zich al vol enthousiasme gemeld. N. B. verbeeldingskracht is van cruciaal belang voor iedere artiest, met name ook in de Rutte-maatschappij, waarin artiesten zich vaak slaafs onderwerpen aan criteria van politici en zich krampachtig voordoen als zakelijk, nuchter denkend en economisch rendabel. Het is ook van groot belang voor de identiteit van artistiek onderzoek. Ik heb de indruk dat wij ons soms te veel spiegelen aan de harde wetenschappen, om te eenzijdig de goedkeuring van deze grote broer nastreven. Daardoor dreigen wij te vergeten hoe wij zelf het beste tot ons recht komen in het grotere geheel van wetenschappen, op een manier ook die juist voor harde wetenschappers een meerwaarde heeft.
3. Recontextualizing Messiaen
In 2007 ontdekte ik dat Messiaen's atonale melodieën, dikwijls gebaseerd op vogelgezangen, een rijkdom aan archetypische roep-, vraag- en antwoordmotieven bevatten die op vernieuwende wijze kunnen worden gebruikt, in dienst van een grensoverschrijvend idioom en in samenwerking met musici afkomstig uit verschillende tradities. Door systematische uitwerking hiervan is mijn muzikale taal van modale ritmisch-melodische patronen, omschreven in het voorafgaande hoofdstuk, in melodisch en harmonisch opzicht veelzijdiger en boeiender geworden. Dit hoofdstuk beschrijft hoe deze systematische uitwerking heeft plaatsgevonden, eerst individueel en later met andere musici. Binnen de archipel is dit eiland een archipel op zich, vanwege de verschillende onderdelen.
4. A new approach to playing Bach
Een beschrijving van het experiment om embodied knowledge van mijn eigen muziek over te hevelen naar de interpretatie van Bach. Ook hier weer nadruk op het ambachtelijke, hoe het fluïdum overgaat in subtiele, vloeiende lichaamsbewegingen en een fijnzinnig toucher. Peer review als een wezenlijk onderdeel.
5. Conclusie
De conclusie zal bevestigen en nader uitwerken dat improvisatie, interpretatie en compositie, als beschreven in de afzonderlijke hoofdstukken, in mijn praktijk naadloos met elkaar verbonden zijn, overeenkomstig de naam van het onderzoek en mijn visie op de spirituele oorsprong van muziek. Op de vraag waardoor de spirituele bron zelf wordt aangedreven zal ik niet ingaan. Ik heb er wel gedachten over, maar kan die alleen op een gebrekkige manier omschrijven, als vage speculaties die afbreuk zouden doen aan het onderzoek.
No comments:
Post a Comment